Het beste der eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de HERE, uw God, brengen. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. (Ex 23,19)
De eerste keer dat we het woord eerstelingen tegenkomen verwijst het naar een schaap en wordt het in verband gebracht met het offer van Abel (Gen 4,4) vervolgens vinden we het enkelvoud terug in Gen 49,3 waar het woord eersteling op één lijn met eerstgeborene wordt gezet. Voorts lezen we in Ex 23,16 dat eerstelingen tevens de eerste oogst van de akker betekent. In de oudtestamentische betekenis staat eersteling of eerstelingen voor de- of het eerstgeborene, of de eerste vruchten en ook wordt de term in verband gebracht met de offerande (Neh 10,35) en het erfdeel van de Levieten (Deut 18,1t'm etc) welke de tempeldienst verrichten .
Ergens was de eersteling als een goede vrucht van God, want alleen het beste van de oogst werd naar het huis van de Heere gebracht (Deut 26,10) en deze vruchten waren afkomstig van het land dat Hij hen had gegeven, dus van Hem.
In het NT komen we deze termen ook weer tegen, zo lezen we dat Paulus de Heere als een eersteling noemt (1 Kor 15,23) en geliefde Epenetus, noemde hij de eersteling (Rom 16,5) voor Christus. Het woord eerstelingen wordt door de apostel ook gebruikt in het volgende vers.
2 Tess 2,13
Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.
Paulus betrekt de oudtestamentische term op de eerste gemeente christenen, in plaats van op dieren en de eerste oogst en stelt nadrukkelijk dat God hen uitverkoren had tot behoudens. Dat is stof om over na te denken, want ook apostel Jakobus sprak hierover en betrok de term op hemzelf en de andere apostelen, die ook de eerste christenen en eveneens uitverkoren door de Heere zelf.
Jak 1,18
Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen.
En apostel Johannes betrekt het woord eerstelingen op de honderdvierenveertigduizend op wiens voorhoofden de naam van de Vader geschreven was (Op 14,1) (diezelfden welken volgens de Jehovah's een hemelse bestemming hebben):
'...Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam.' (Op 14,4)
Kortom, de honderdvierenveertigduizend waren gekocht uit de mensen, dus eveneens uitverkoren door God. Samengevat verwijzen de termen eersteling en eerstelingen in het NT dus naar Jezus en de uitverkorenen (uit de eerste eeuw) en in het OT onder meer naar de eerstgeborenen en de eerste oogst van het land wat God de Israëlieten had gegeven. Mijn suggestie is dat de oudtestamentische letterlijke betekenis tevens een profetische heeft welke we vervuld zien in de eerste eeuw. Want we weten allemaal dat er vaker geoogst is dan eenmaal en zo is het ook met de gemeenten. Daarom schreef Paulus ook:
Rom 11,16
Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken.
Is het wel terecht als wij de brieven gericht aan de eerstelingen in alles op onszelf betrekken? Zouden wij niet veel meer het deeg zijn, een volgende oogst die geheiligd is door de eerstelingen?



