Ik heb de afgelopen tijd intensief in de HSV studiebijbel gelezen,
specifiek de inleidingen op het Oude Testament en het hoofdstuk over de canon.
Hierbij stuit ik op iets wat mij niet loslaat en waarover ik graag jullie gedachten zou horen.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis (artikel 6) leert ons dat de apocriefe boeken "wel gelezen mogen worden maar niet tot de Heilige Schrift behoren". Tegelijk noemt de katholieke Kerk diezelfde boeken "deuterokanoniek" en beschouwt ze als volwaardig Schrift.
Wat mij verraste in de HSV studiebijbel is hoe vroeg deze zeven boeken al circuleerden binnen de Joodse en vroegchristelijke gemeenschappen, hoe vaak de apostelen ze citeren of er duidelijk naar verwijzen, en hoe de Septuaginta (de Griekse vertaling die de vroege Kerk gebruikte) ze gewoon meeneemt.
Het beeld dat ik meekreeg, dat de apocriefen "later toegevoegd" zijn, lijkt historisch lastig houdbaar.
Ik heb mijn gedachten en citaten uit de HSV studiebijbel uitgeschreven op een blog https://vroegekerk.net/wat-de-hsv-studiebijbel-ons-vertelt-over-de-boeken-van-de-bijbel/
Mijn vraag: hoe gaan jullie zelf om met wat de HSV studiebijbel hierover schrijft?







